Doneer eens je tijd en aandacht

19-05-2022
182 keer bekeken

Geld en spullen doneren we veel, maar met tijd zijn we zuinig. Waarom? „We vragen niet naar wat anderen nodig hebben, we vullen het gewoon in.” Tekst: Lisanne van Sadelhoff

Terwijl mijn Oekraïense logee en ik de boodschappentassen vullen met ingrediënten voor borsjtj, een soep uit de Slavische keuken, krijgt ze een mail van de gemeente: of ze zich over pakweg vier uur wil melden bij de stadhuisbalie voor haar leefgeldpas. „Can you also help me with this?” Ik knik maar voel stress: ik zit vanmiddag bomvol werkafspraken. Ik schrijf direct een bericht aan de organisatie waar ik me als gastgezin had aangemeld: ‘Kan een vrijwilliger met Natalya mee vanmiddag?’, en verwijder de tekst weer, plots doordrongen van het besef: ík ben die vrijwilliger.

Voor het eerst doe ik iets voor een ander waarbij ik geen geld geef, maar tijd. Energie. Ik zou mijn vrienden kunnen vragen of een van hen mee kan: iedereen had, zo lief, meteen bij Natalya’s komst aangegeven te willen helpen. Maar zij boden dingen van een andere orde aan: ‘Heeft ze een fiets nodig?’ ‘Ik heb hier nog een winterjas liggen…’ ‘Heeft ze nog tampons nodig?’ Mijn logee heeft geen winterjas nodig, het wordt zomer. Ze heeft ook geen tampons nodig, er zit een Albert Heijn op de hoek. Een fiets heeft ze evenmin nodig, er moet dan eerst iemand zijn die haar fietsles wil geven.

Tijdens de eerste dagen van Natalya’s verblijf bekroop me het gevoel dat we wel willen helpen, maar dan vooral in de vorm van geld of spullen. Giften. Cijfers onderschrijven dat voorzichtig: uit onderzoek van de Vrije Universiteit blijkt dat in 2002 nog 46 procent van de Nederlanders vrijwilligerswerk deed. In 2019 (de meest recente cijfers) was dat 40 procent. In 2016 was dat percentage nog lager: 36 procent. We doneerden wel meer: als percentage van het bbp gaven we in 2018 ongeveer evenveel als in 2015. Ik steek hierbij ook de hand in eigen boezem, met als hoogtepunt dat ik aan zeven goede doelen per maand schonk.

Vrijwilligerswerk kwam niet in me op: ik had wel genoeg geld, maar niet genoeg tijd. Is dat een zekere vorm van egoïsme, gemakzucht, of zit daar wat anders achter?

Eigen perspectief

„Een complexe vraag”, vindt Lucas Meij, hoogleraar filantropie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. „Ik zou het niet egoïstisch noemen. We vinden het over het algemeen gewoon heel makkelijk om weg te geven uit ons overschot. Die winterjas die we toch al overhadden, of iets kleins als – inderdaad – tampons. Schenken uit de tweede oogst: daarin zijn we vaak erg gul.” En niet alleen nu: tijdens de Watersnoodramp in ’53 riepen hulpverleners op om álsjeblieft geen goederen meer te sturen, er kwamen tonnen aan spullen en kleding binnen, ‘de tweede springvloed’ werd het genoemd. Een ander exemplarisch en recenter voorbeeld is een verhaal dat vorige maand in de regionale krant Tubantia stond: Syriërs weigeren gratis inventaris: ‘Ik snapte er niks van, moest echt huilen’. Aan het woord was een vrouw die ging verhuizen en al haar meubels gratis achterliet voor Syriërs die de woning zouden betrekken. Maar tot ontsteltenis van de schenker weigerden de nieuwe bewoners de spullen, ze waren niet naar hun smaak.

„Als we helpen, doen we dat vaak vanuit ons eigen perspectief”, zegt Wieb van de Donk. „Wat zouden wíj willen? Wat zouden wíj nodig hebben?” Van de Donk staat aan het roer bij WWAV, een marketingbureau voor de non-profitsector, en werkt ruim twintig jaar voor Vluchtelingenwerk Nederland. „We vragen niet naar wat anderen nodig hebben, we vullen het vaak gewoon – met de beste intenties – in.”

„Wil je mee met mijn hardloopclubje?”, had ik Natalya gevraagd. Nee, ze hield niet van hardlopen. „Wil je mee met mijn zwemtraining?” Nee, ze hield niet van zwemmen. Pas toen ik drie dagen later vroeg wat ze dan wilde, zei ze schoorvoetend: „Ik ga graag naar de sportschool.” Waarna ik de sportschool belde, die, zo las ik in het lokale krantje, een benefietwedstrijd hield om geld voor Oekraïense vluchtelingen in te zamelen. Ik vroeg of Natalya tijdelijk een gratis sportschoolabonnement zou kunnen krijgen. „Dat zal niet gaan”, zei de manager. „Wij steunen vluchtelingen op andere manieren.” Meijs kan dit duidelijk verklaren: „Schenken uit de eerste oogst, in het geval van de sportschool winst uit abonnementen, is een stuk moeilijker.”

Je komt er niet met alleen geld. Met dat geld moeten mensen ook iets dóén’’

Maar dit voorval laat nog iets anders zien: een mismatch tussen de hulpvraag en het aanbod. Er is aanbodverlegenheid of handelingsverlegenheid aan de ene kant, stelt Meijs: gevers vinden het vaak moeilijk om te vragen wat iemand nodig heeft. Aan de andere kant is er, wat ik ook merkte, een vraagverlegenheid: het is moeilijk om hulp te vragen.

Dat laatste gaat de afgelopen decennia steeds vaker mis in westerse landen, ziet Pamala Wiepking. Zij is als filantropisch onderzoeker verbonden aan het Centrum voor Filantropische Studies aan de VU Amsterdam en aan de Lilly Family School of Philantropy in Indianapolis, de eerste faculteit ter wereld die zich volledig richt op het onderzoeken van filantropie in al zijn vormen. „We zijn zo individualistisch geworden”, zegt Wiepking. „We leven niet meer in gemeenschappen zoals vroeger, maar in ons eigen rijtjeshuis, met onze eigen hoge schuttingen. We kijken naar succes en gezondheid als iets waar we zelf verantwoordelijk voor zijn. Als je niet voor dat succes en die gezondheid kan zorgen, als je daar hulp bij nodig hebt, dan faal je.”

Daaraan is volgens haar ook de secularisering debet aan. „We zijn daardoor de afgelopen vijftig jaar steeds minder in een sociale context gaan leven waarin het normaal is om elkaar om hulp te vragen.” Cijfers van het CBS uit 2019 bevestigen dit: mensen die behoren tot een kerkelijke of levensbeschouwelijke groepering zijn vaker actief als vrijwilliger (bijna 51 procent) dan mensen die daar niet toe behoren (bijna 45 procent).

Iets dóén met dat geld

Filantropie – Wiepking spreekt liever van generosity, vrijgevigheid, „omdat de hele wereld dat woord begrijpt” – is bovendien in het Westen geïnstitutionalsieerd. Vrijwilligerswerk in Nederland is volgens Wiepking „uitzonderlijk goed georganiseerd”. Dat kan mensen het gevoel geven: anderen (lees: overheden, organisaties) doen het wel. Dat maakt soms ook dat geld geven, zoals aan Giro555, waarmee hulptroepen op de juiste plekken aan de slag kunnen, inderdaad de beste en efficiëntste manier is. „Maar je komt er niet alleen met geld”, zegt Wieb van de Donk. „Met dat geld moeten mensen ook iets dóén. En dat lijken veel mensen te vergeten. Door al die goededoelenacties is het beeld ontstaan dat het is opgelost als we maar geld geven. Centen zijn slechts de eerste voorwaarde voor het bieden van de juiste hulp.”

De tweede voorwaarde: ergens tijd en energie in steken. Van de Donk: „En dat is nou net iets wat we met z’n allen steeds minder lijken te hebben, en wat kostbaarder dan ooit is, vooral bij de jongere generaties: we zijn bewuster bezig met het inplannen van onze tijd. Het woord me time deed niet voor niets zijn intrede.”

Ergens tijd aan moeten besteden maakt de drempel voor het aangaan van bepaalde verantwoordelijkheden vaak hoog. Mensen twijfelen vaak of ze het wel kunnen opbrengen, en het werk wel kunnen doen, zegt Wiepking. „Ik woon in Reeuwijk en daar wordt een lokaal zwembad compleet door vrijwilligers gerund, omdat het anders zou worden gesloten. Het heeft me 2,5 jaar gekost om ‘ja’ te zeggen tegen dat werk. Want ik heb een fulltimebaan, twee kinderen, ik wist niet hoe ik het moest doen. Maar ik dacht ook: zitten zij wel op mij te wachten? Nadat ik had besloten het te gaan doen, bleek het heel goed georganiseerd en hadden mijn zoon en ik elke keer de tijd van ons leven in dat kassahokje. Mensen zijn vaak bang om teleur te stellen, twijfelen aan hun eigen kwaliteiten of zijn bang dat de consequenties van hun ‘ja’ te groot zijn.” Zelf merkte ik dat toen ik een vriendin vroeg of ze een keer koffie wilde drinken met Natalya. Ik kreeg de wedervraag: „Zit ze daar wel op te wachten?” En ook: „Ik kan wel een paar keer, maar niet elke week.”

Ook daar zit een struikelblok angst om ergens aan vast te zitten. Meijs: „Je hoort vaak trouwe vrijwilligers die al jarenlang in allerlei commissies zitten van de sportclub, klagen dat nieuwe vrijwilligers vaak alleen maar dingen episodisch doen, voor een paar weken, maanden hooguit. En daar zit ook wel iets in: mensen vinden het steeds lastiger dat ze niet precies weten hoelang ze ergens aan vast zitten.”

Handremmen

Het is volgens Wiepking daarom belangrijk om de hulp aan te bieden die bij de ander past („dus vráág ernaar”) maar ook die bij jouzelf past: de hoogste drempel hoeft niet te worden overwonnen, het mag ook een lagere zijn. Bovendien, zegt Meijs: „Het is niet zo zwart-wit. Er is heel veel vrijwilligerswerk dat buiten de instituten om kan worden gedaan, en broodnodig is. Je bent niet alleen maar vrijwilliger als je vijf jaar lang dag in dag uit in een dierenasiel rondloopt.” Zo zijn er burennetwerken en Facebook-groepen waar oproepen staan voor eendagsvrijwilligers: wie wil er een keer boodschappen doen voor mevrouw Tuinman? En wie een keer spontaan, zonder oproep of organisatie, soep voor de bedlegerige buurman kookt, doet ook vrijwilligerswerk.

Het is, zo ervoer ik, laagdrempeliger als je het eenmaal een keer gedaan hebt en vertrouwd bent met degene aan wie je de hulp biedt. Natalya woont inmiddels op een fijn opvangadres waar ze een hele bovenverdieping voor zichzelf heeft. We zien elkaar nog steeds. Zo vertelde ze me laatst met enige trots dat ze een blaar op haar handen had gekregen, en daarna toonde ze foto’s van zichzelf op een fiets – trotse blik. Ze had het zichzelf aangeleerd. Maar die handremmen, ja, daar moet ze nog even aan wennen. „Wil je niet dat ik je een keer help?” vroeg ik. Ze schudde van nee, wilde liever geen pottenkijkers op het parkeerterrein waar ze oefent. „Ik word wel gek van elke keer hetzelfde rondje rijden.” Waarna ik haar een plattegrond stuurde waarop met pijlen rustige, rechttoe-rechtaan fietspaden in Utrecht staan aangegeven. Ik hoefde haar niet te helpen fietsen: de juiste richting op sturen was genoeg.

Wil jij ook iets bijdragen, aansluitend op de wensen en behoeften uit de (Zeister) samenleving? Kijk dan eens op onze Vacaturebank

Bron NRC:
Houd je geld en spullen zelf en doneer eens je tijd en aandacht aan een ander - NRC

Afbeeldingen

Kunnen wij je verder helpen?

Het team van de vrijwilligerscentrale staat voor je klaar. Voor al je vragen rondom vrijwilligerswerk neem contact met ons op.

Mail ons op:
info@vczeist.nl

 

Volg ons online

         

 

 
Cookie-instellingen